Akoestiek: de invloed van woningscheidende wanden

In dit artikel gaan we dieper in op de akoestische prestaties van woningscheidende elementen, en meer specifiek de woningscheidende wand. Aan welke eisen moet een wand voldoen? Welke elementen hebben een invloed? En wat met de materiaalkeuze?
Even situeren: normen en eisen
Binnen de bouwsector gelden specifieke eisen als het gaat over akoestiek. Voor woningen worden deze eisen vermeld in de norm NBN S 01-400-1:2022, van toepassing op residentiële gebouwen met omgevingsvergunningsaanvraag vanaf 01/01/2023. Als we kijken naar de akoestische prestatie op het vlak van luchtgeluidisolatie, dan wordt die uitgedrukt in twee waarden:
- de totale luchtgeluidisolatie (DA = DnT,w + C) tussen twee ruimtes van verschillende woningen. Luchtgeluidisolatie houdt stemmen, muziek of geluid van de tv tegen. Hoe hoger de waarde, hoe beter.
- de geluidreductie van een bouwelement in het labo vanaf 50 Hz, RA,50 (= Rw + C50-3150). Deze waarde houdt rekening met lage tonen (bassen). Ook hier geldt: hoe hoger de score, hoe beter.
Om in orde te zijn met de norm, moet de wand aan beide eisen voldoen. Dat geldt zowel voor nieuwbouw als renovatie.
De norm NBN S 01-400-1:2022 definieert drie klassen, met daaraan gekoppeld concrete prestatie-eisen. Klasse C is het laagste niveau en biedt gebruikers van een woning een minimale akoestische bescherming. Klasse B staat voor een iets hoger comfortniveau. En klasse A biedt de hoogste bescherming.
Klasse C is het minimaal vereiste prestatieniveau voor appartementen. Voor ruimtes tussen twee verschillende nieuwe woongebouwen (bijv. twee rijwoningen) moet minimaal aan de eisen van klasse B voldaan worden. Klasse A is vrijblijvend en kan gekozen worden voor een extra hoge bescherming.
Verder kijken dan de wand
We hebben het hier specifiek over de invloed op de akoestiek van de woningscheidende wand zelf. Belangrijk om te weten is wel dat de luchtgeluidisolatie beïnvloed wordt door tal van elementen. Geluid beweegt door de wand, over de wand, onder de wand, door het plafond … Ook de geometrie van de ontvangstruimte (de ruimte waar het geluid aankomt) speelt een rol.
De geluidreductie van de woningscheidende wand is dan weer afhankelijk van de koppelingen met plafond, vloer, enz. In veel gevallen worden de prestaties in een laboratorium bepaald zonder enige koppeling, om een zo hoog mogelijke waarde te meten. In de praktijk zijn er vaak wel koppelingen tussen de deelwanden – bijvoorbeeld een vloerplaat die doorloopt – waardoor de werkelijke geluidreductie een stuk lager ligt.
Het is dus onmogelijk om te stellen dat een woningscheidende wand garant staat voor een bepaald resultaat zonder met al deze zaken rekening te houden. Een systeem kan voldoen in het ene project, maar niet in het andere. Vaak blijkt dat de geluidreductie van de woningscheidende wand op zich voldoende is, maar worden de prestaties ervan beperkt door de invloed van omliggende elementen.
Appartement versus rijwoning
Afhankelijk van het type woning kijken we op een andere manier naar woningscheidende elementen. Bij geluidsoverdracht in appartementen moet er naast een rechtstreekse horizontale richting ook rekening gehouden worden met een flankerende verticale richting. In veel gevallen wordt gewerkt met doorlopende vloerplaten, waardoor er een koppeling is tussen de deelwanden. Deze koppeling heeft een negatieve invloed op de geluidreductie. De enige manier om dit effect te vermijden, is het gebruik van een ontkoppeling tussen vloer en wand. Het is dan ook niet voldoende om bij appartementen enkel te spreken over de woningscheidende wand.
In dit artikel beperken we ons tot rijwoningen. De situatie is hier een stuk eenvoudiger aangezien er enkel een horizontale geluidsoverdracht mogelijk is. Het is daardoor perfect mogelijk om tot hoge geluidisolatiewaarden te komen als de woningscheidende wand een hoge geluidreductie heeft.
Materiaalkeuze en de invloed van massa
Als we uitgaan van twee van elkaar losstaande rijwoningen, dan is de flankerende bijdrage verwaarloosbaar (Rij,w ≥ 70 dB en vaak nog veel hoger) en kijken we enkel naar de geluidreductie Rw + C van de woningscheidende wand. Om een prestatieklasse B – het wettelijke minimum voor rijwoningen – te behalen, moet de woningscheidende wand een geluidreductie Rw + C ≥ 59 dB hebben. Bij massiefbouw zullen deze wanden in praktisch alle gevallen ook dragende wanden zijn en zal men meestal aan deze waarde voldoen. Ook een klasse A , waarbij alle eisen 4 dB hoger liggen, is makkelijk haalbaar met een traditionele opbouw. Deze prestatieklasse wordt al in 30% van de projecten die SonIQ bestudeerd en opgevolgd heeft, behaald.
Bij een wandopbouw met een totale oppervlaktemassa die kleiner is dan 170 kg/m², bestaat het gevaar dat de geluidreductie bij lage frequenties onvoldoende is. Om de geluidreductie in deze zone te verhogen zonder bijkomende massa te voorzien, moet de spouwbreedte groter worden. In het geval van houtskeletbouw vertaalt zich dit in het verschuiven van alle platen naar de buitenkant van de wand om zo tot één grote spouw te komen.
Het behalen van een klasse B met wanden uit CLT is nipt mogelijk met twee deelwanden van minstens 100 mm die elk met een (gipskarton)plaat van 12,5 mm verzwaard worden. Dit kan in de spouw gebeuren zodat de CLT zichtbaar blijft. Hierbij rekenen we op een spouw van minstens 100 mm die met minerale wol opgevuld wordt.
Bij een oplossing zonder voorzetwanden of extra platen moeten de CLT-wanden veel dikker zijn (bijv. 2x 180 mm CLT met 100 mm spouw met minerale wol), waardoor deze oplossing niet duurzaam is. Een alternatief met een grotere spouwbreedte kan eventueel een oplossing zijn (bijv. 2x 120 mm CLT met 150 mm spouw met minerale wol).
Met vrijstaande voorzetwanden is een klasse A haalbaar. Het voordeel hier is dat de technieken in de voorzetwand weggewerkt kunnen worden. Het onderzoek rond de geluidreductie van CLT is nog volop bezig en er zijn grote verschillen tussen de resultaten van verschillende studies. Vooral rond de prestaties tot 50 Hz zijn er zeer weinig gegevens bekend.
Onderbreking van de vloerplaat
De grootste beperkende factor bij de akoestische prestatie in rijwoningen is de koppeling via de vloerplaat van het gelijkvloers. Deze wordt in veel gevallen niet onderbroken, waardoor de maximale geluidisolatie beperkt blijft. Op de verdiepingen is er meestal wel een onderbreking van de vloerplaten waardoor de luchtgeluidisolatie daar gemakkelijk 5 à 10 dB hoger ligt ten opzichte van het gelijkvloers.
De onderbreking van de vloerplaat op het gelijkvloers is in veel gevallen niet strikt noodzakelijk om een klasse B te behalen, als de massa van de woningscheidende wand voldoende hoog is (≥ 250 kg/m²). In 70% van de gevallen wordt er bij een meting een klasse B behaald mits toekenning van 2 dB marge (50% zonder marge). Daar waar de eisen niet gehaald worden, zijn er meestal harde koppelingen tussen de deelwanden.
Een onderbreking met een harde isolatieplaat (bijvoorbeeld PUR of XPS) kan al voldoende zijn om problemen te vermijden. Als er een ondergrondse verdieping (bijv. kelder) aanwezig is, wordt een onderbreking aangeraden of moet de massa van de deelwanden verhoogd worden.
Meer weten?
Een vraag over akoestiek? Een vrijblijvende offerte ontvangen voor jouw akoestisch project? Let’s talk!